Click on Dutch to hear sound        
Verb List -- Pictures One through Ten

Here are four verbs found in the text of the second picture. Note the different conjugations -- can you find any patterns? Do you notice similarities to English? Practice these verbs and pronouns until you feel comfortable with them.

Werkwoorden

  Verbs

Tegenwoordige Tijd

Present Tense

Verleden Tijd

Past Tense

Hebben

  To Have  

Hebben

  To Have

Ik heb
Jij hebt
Je hebt
U heeft
Hij heeft
Zij heeft
Ze heeft
Het heeft
Wij hebben
Jullie hebben
U heeft
Zij hebben
Ze hebben

  I have
You have
You have
You have
He has
She has
She has
It has
We have
You have
You have(plural)
They have
They have
 

Ik had
Jij had
Je had
U had
Hij had
Zij had
Ze had
Het had
Wij hadden
Jullie hadden
U had
Zij hadden
Ze hadden

  I had
You had
You had
You had
He had
She had
She had
It had
We had
You had
You had(plural)
They had
They had

Weten

  To Know  

Weten

  To Know

Ik weet
Jij weet
Je weet
U weet
Hij weet
Zij weet
Ze weet
Het weet
Wij weten
Jullie Weten
U weet
Zij weten
Ze weten

  I know
You know
You know
You know
He knows
She knows
She knows
It knows
We know
You know
You know(plural)
They know
They know
 

Ik wist
Jij wist
Je wist
U wist
Hij wist
Zij wist
Ze wist
Het wist
Wij wisten
Jullie wisten
U wist
Zij wisten
Ze wisten

  I knew
You knew
You knew
You knew
He knew
She knew
She knew
It knew
We knew
You knew
You knew(plural)
They knew
They knew

Openen

  To Open  

Openen

  To Open

Ik open
Jij opent
Je opent
U opent
Hij opent
Zij opent
Ze opent
Het opent
Wij openen
Jullie openen
U opent
Zij openen
Ze openen

  I open
You open
You open
You open
He opens
She opens
She opens
It opens
We open
You open
You open (plural)
They open
They open
 

Ik opende
Jij opende
Je opende
U opende
Hij opende
Zij opende
Ze opende
Het opende
Wij openden
Jullie openden
U opende
Zij openden
Ze openden

  I opened
You opened
You opened
You opened
He opened
She opened
She opened
It opened
We opened
You opened
You opened (plural)
They opened
They opened

Doen

  To Do  

Doen

  To Do

Ik doe
Jij doet
Je doet
U doet
Hij doet
Zij doet
Ze doet
Het doet
Wij doen
Jullie doen
U doet
Zij doen
Ze doen

  I do
You do
You do
You do
He does
She does
She does
It does
We do
You do
You do (plural)
They do
They do
 

Ik deed
Jij deed
Je deed
U deed
Hij deed
Zij deed
Ze deed
Het deed
Wij deden
Jullie deden
U deed
Zij deden
Ze deden

  I did
You did
You did
You did
He did
She did
She did
It did
We did
You did
You did (plural)
They did
They did