Lesson 03 – Amsterdam

Watch without subtitles/background music


Transcript

Hallo! Hello!
Ik ben Bart de Pau. My name is Bart de Pau.
Welkom bij ‘Heb je zin?’. Welcome to ‘Heb je zin?’ (Are you in the mood?)
We gaan weer Nederlandse zinnen oefenen. We are going to practise sentences in Dutch again.
Dit zijn de studenten van Marieke. These are Marieke’s students.
Ze wonen in Rotterdam. They live in Rotterdam.
En dit is Marieke. And this is Marieke.
Vandaag gaan ze naar Amsterdam. Today, they are going to Amsterdam.
In Amsterdam woont Martin. Martin lives in Amsterdam.
De studenten komen met de trein. The students will come by train.
Martin fietst naar het station. Martin is cycling to the railway station.
Hij zet zijn fiets in de fietsenstalling. He puts his bike the bicycle stall.
In de fietsenstalling staan heel veel fietsen. In the bicycle stall, there are a lot of bikes.
In Amsterdam heeft iedereen een fiets. In Amsterdam, everyone has a bicycle.
Martin loopt naar het perron. Martin walks to the platform.
Daar is de trein uit Rotterdam. There is the train from Rotterdam.
Waar zijn de studenten? Where are the students?
Ah! Daar zijn de studenten. Ah! There are the students.
Met Marieke. With Marieke.
Hallo. Hello.
Welkom in Amsterdam! Welcome to Amsterdam.
Vandaag laat ik de stad zien. Today, I will show you the city.
Vinden jullie dat leuk? Would you like that?
Ja! Yes!
Is dit voor jullie de eerste keer in Amsterdam? Is this the first time for you in Amsterdam?
“Voor mij wel”, zegt Pedro. “For me it is”, says Pedro.
“Voor mij ook”, zegt Ulrich. “For me too”, says Ulrich.
“Voor mij is het ook de eerste keer”, zegt Natasha. “It is the first time for me as well”, says Natasha.
“Voor ons ook”, zeggen François en Alice. “For us too”, say François and Alice.
“Voor mij niet”, zegt Peter. “Not for me”, says Peter.
Mijn vader heeft familie in Amsterdam. My father has got relatives in Amsterdam.
Ok. Ok.
Laten we beginnen. Let’s begin.
We gaan een rondje lopen. We are going for a walk.
En ik vertel iets over Amsterdam. And I will tell something about Amsterdam.
Dit is het centrum van Amsterdam. This is the center of Amsterdam.
Kijk uit! Hier zitten veel duiven. Watch out! There are a lot of pigeons here.
Kijk uit? Watch out?
Te laat. Too late.
Dit plein heet ‘de Dam’. This square is called ‘de Dam’ (Dam Square).
Dit is het ‘Monument op de Dam’. And this is the ‘Monument on Dam Square’.
Dit is het ‘Paleis op de Dam’. This is the ‘Palace on Dam Square’.
Hier woon ik. Here is where I live.
Nee, dat is een grapje! No, that’s a joke!
Dit is een paleis van de koning. This is one of the king’s palaces.
Maar hij woont hier niet. But he doesn’t live here.
De koning heeft veel paleizen. The king has many palaces.
Hij woont in Den Haag. He lives in The Hague.
Laten we verder lopen. Let’s continue our walk.
Dit is een bekend park. This is a well-known park.
Het ‘Vondelpark’. The ‘Vondelpark’.
In de zomer, kun je hier lekker uitrusten. In summer, you can relax here very well.
“Wij willen nog niet uitrusten!” zeggen de studenten. “We don’t want to relax!” say the students.
Wij willen nog heel veel zien. We still want to see a lot.
De studenten lopen verder. The students continue their walk.
“Hoe oud is Amsterdam?” vraagt Natasha. “How old is Amsterdam?” asks Natasha.
Heel oud! Very old!
Maar, de 17e eeuw was een belangrijke periode. But, the 17th century was an important period.
Toen groeide de stad heel snel. Then, the city grew very fast.
De 17e eeuw heet de Gouden eeuw. The 17th century is called the ‘Golden Age’.
Veel huizen zijn uit die tijd. Many houses date from this time.
We noemen deze huizen: grachtenpanden. We call these houses ‘canal houses’.
hrrachtenpndn’ !?!?! (incomprehensible)
“Dat is een moeilijk woord!” zegt Alice. “That is a difficult word!” says Alice.
Een gracht is een kanaal. [Een gracht] is a canal.
Een pand is een gebouw. [Een pand] is a building.
Dus, een grachtenpand is een gebouw aan een kanaal. So, [een grachtenpand] is a building at a canal.
Amsterdam heeft heel veel grachten. Amsterdam has a lot of canals.
En dat is leuk! And that is fun!
Want door de gracht, kun je varen met een bootje. Because through the canals, you can go boating.
“Dat wil ik!” roept Pedro. “That is what I want to do!” shouts Pedro.
“Dat willen wij ook!” roepen de andere studenten. “We want to do that too” shout the other students.
Dan huren we een bootje! Then we will rent a boat!
En dan varen we door Amsterdam. And then we will go boating through Amsterdam.
Hallo. Hello.
Wij willen een bootje huren. We want to rent a boat.
Zijn jullie met 8 personen? Are there eight of you?
De man praat met een Amsterdams accent. The man speaks with an Amsterdam accent.
Let niet op de uitspraak! Don’t pay attention to the pronunciation!
In Amsterdam zeggen ze een [s] en geen [z]. In Amsterdam, they say an [s] instead of a [z].
Ja, we zijn met 8 personen. Yes, we are 8 persons.
Voor jullie is dat zeventig euro. For you, that will be seventy euros.
Zeventig euro? Seventy euros?
Hoelang mogen we varen? How long can we use the boat for?
Jullie mogen 4 uur varen. You may use it for 4 hours.
Let niet op de uitspraak! Don’t pay attention to the pronunciation!
In Amsterdam zeggen ze een [f] en geen [v]. In Amsterdam they say an [f] instead of a [v].
Zullen we het doen? Shall we do it?
En dan delen we de kosten. And then we share the costs.
“Ja!!!” zeggen de studenten. “Yes!!!” say the students.
Dat is goed! That is ok!
We nemen het bootje. We take the boat.
Dit was het filmpje van vandaag. This was the video of today.
Volgende keer kijken we naar deel twee Next time we will watch the second part
van het bezoek aan Amsterdam. of the visit to Amsterdam.